Leerling Marit interviewt tropenarts Josine

Regelmatig maken kinderen werkstukken over Artsen zonder Grenzen. Dat vinden wij geweldig! Zeker als ze hun informatie direct uit eerste bron halen.

Marit, leerling op basisschool De Odyssee in Amsterdam, ging in gesprek met onze tropenarts Josine!

 

M: Waarom heeft u ervoor gekozen om dokter te worden en welke opleiding heeft u daar voor nodig?

J: Ik weet het nog precies. Toen ik ongeveer 11 jaar was, vroeg mijn vader me ’s avonds bij het naar bed brengen wat ik zou willen worden. Ik zei hem dat ik graag iets wilde doen waarbij ik mensen kon helpen. Het liefst wilde ik arme mensen helpen die op een plek op de wereld waren geboren waar het leven niet zo makkelijk is als hier. Toen zei mijn vader: ‘Dan word je toch dokter? Dan kan je mensen helpen waar ook ter wereld.’ Dat idee heeft mij nooit meer losgelaten. Toen ik 18 jaar was en eindexamen had gedaan van de middelbare school ben ik geneeskunde gaan studeren. Die studie duurt zes jaar en dan ben je dokter.

 

M: Waarom heeft u ervoor gekozen om bij Artsen zonder Grenzen te gaan werken?

J: Ik vond Artsen zonder Grenzen altijd een supermooie organisatie. Deze organisatie stuurt artsen en verpleegkundigen naar die plekken op de wereld waar mensen de hulp het meeste nodig hebben. Bijvoorbeeld omdat er een oorlog is of mensen op de vlucht zijn geslagen. Soms lijden de mensen dan aan ondervoeding. Artsen zonder Grenzen heeft daar ondervoedingsprogramma’s voor. Ook kan het zijn dat mensen allerlei wonden of breuken hebben na een natuurramp, ook daar zendt Artsen zonder Grenzen zo snel mogelijk medische teams naar toe.

 

Tropenarts Josine aan het werk in Baraka, Oost-Congo.

 

M: Werkt u in Nederland in een vast ziekenhuis?

J: Op dit moment ben ik in opleiding tot huisarts. Voor de opleiding werk ik een jaar in een huisartsenpraktijk in Amsterdam-Noord. Daarna ben ik klaar als huisarts en kan ik overal in Nederland werken. Daarnaast werk ik ook af en toe voor Artsen zonder Grenzen als ‘tropenarts’ in ziekenhuizen over de hele wereld.

 

M: Heeft u een specialiteit?

J: Ja, huisarts dus. Ik ben ook tropenarts. Tijdens die opleiding leer je veel ziektes die in ‘de tropen’ voorkomen zoals malaria, aids, tuberculose, maar ook ondervoeding.

 

M: Heeft u veel kinderen als patiënt?

J: Als huisarts in Nederland zie je natuurlijk kinderen, maar er zijn ook veel opa’s en oma’s die je als patiënt ziet. In sommige delen van Afrika worden er niet zoveel mensen heel oud. Wel zijn er heeeeeel veel kinderen. Meer dan de helft van de patiënten! Dus ja, als tropenarts heb ik vooral heel veel kinderen als patiënt.

 

Josine op weg naar het ziekenhuis.

 

M: Bent u laatst nog voor uw werk in een ander land geweest? Zo ja, waar en waarom?

J: De laatste keer dat ik voor mijn werk in een ander land was, was twee jaar geleden. Toen was ik in Oost-Congo. Daar werkte ik in een groot ziekenhuis met wel 170 kinderen als patiënt en ongeveer 100 volwassenen. Er zijn daar al tientallen jaren veel gevechten tussen verschillende groepen. Er zijn daardoor bijna geen ziekenhuizen. Daar zijn vooral de gewone mensen de dupe van. Daarom is Artsen zonder Grenzen daar!

 

M: Heeft u ook te maken gehad met ebola?

J: Nee, ik had er wel graag heen gewild om te helpen. Maar ik vond het ook erg eng, want ik was ook wel bang om zelf ebola te krijgen. Uiteindelijk kon ik niet, omdat ik al in opleiding was tot huisarts in Nederland en dus niet weg kon.

 

M: Heeft u ook zelf een keer een ziekte gehad? Zo ja, zou u daar iets over willen vertellen?

J: Ja, als je in tropen werkt als Nederlandse dokter ben je erg vatbaar voor ziekten. Er zijn daar allerlei bacteriën, bijvoorbeeld in het eten, waar je niet aan gewend bent. Daardoor had ik vaak diarree en soms moest ik overgeven. Maar gelukkig kom je daar elke keer weer bovenop.

Ook kun je malaria krijgen van muggensteken. Maar als je daar elke dag een pilletje tegen neemt, dan is de kans heel klein dat je die ziekte krijgt. Ik heb dat nooit gehad.

 

Josine voor het ziekenhuis in Baraka.

 

M: Heeft u een keer meegemaakt dat er een kind is doodgegaan? Zo ja, zou u daar iets over willen vertellen en hoe voelde u zich toen?

J: Ja, jammer genoeg heb ik dat wel een paar keer meegemaakt. Dat is verschrikkelijk en zou nooit moeten gebeuren. Doordat de mensen in ontwikkelingslanden soms heel ver weg wonen van het ziekenhuis, moeten ze soms dagen lopen om hulp te krijgen. Soms is het kindje dat ziek is dan al zo ziek dat het te laat is om nog te genezen. Ik vind dit een van de moeilijkste kanten van mijn werk als tropenarts. Omdat het zo ontzettend onrechtvaardig is.

 

M: Gaat u anders met kinderen om dan met volwassenen?

J: Ja, met kinderen ben ik speelser, denk ik. Met volwassenen serieuzer. Ik heb mij wel ooit voorgenomen toen ik ongeveer acht jaar was om kinderen ook serieus te nemen als ze iets vinden of zeggen. Ik weet nog dat ik toen namelijk vond dat volwassenen soms erg kinderachtig met me omgingen terwijl ik zelf vond dat ik best goed over dingen kon nadenken.

 

M: Hoe communiceert u in het buitenland?

J: Ik probeer altijd een paar woordjes te leren van de taal die de patiënten spreken, dan heb je direct goed contact. Toen ik naar Oost-Congo ging heb ik een cursus Frans geleerd, zodat ik in elk geval een beetje kon communiceren met de Congolese dokters en verpleegkundigen. Als ik in het buitenland zit, bel ik ook vaak met Skype met mijn vrienden en mijn ouders. Zo kan ik toch een beetje delen hoe het met me gaat en kan ik ook horen hoe het met hun gaat.

 

Marit presenteert haar werkstuk.

 

Maart 2016

Sluit zoeken

Zoekveld